Door mijn theatertour, die ik op 87 verschillende plekken speel, ben ik noodgedwongen Utrecht 86 keer te verlaten. Op de dag van een optreden rij ik al vroeg naar de plaats van bestemming. Samen met mijn broer, die de techniek doet, in een Fiat Multipla. De auto die door velen wordt gezien als de lelijkste van de eeuw, maar die ons veilig naar plekken brengt waar we normaal gesproken niet zo snel komen. Ik noem een Bovenkarspel en Druten.

Het is elke keer weer de vraag wat we ter plaatse aantreffen. Zo kwamen we in Rilland in een theater terecht waar de techniek wordt verzorgd door vrijwilligers op leeftijd. Het bood een mooie aanblik, die vier oudere heren die samen met mijn broer de boel stonden op te bouwen. Het duurde allemaal wat langer, maar stopten er hun ziel en zaligheid in. Een van hen, Giel van 79, had afgelopen zomer nog een openhartoperatie ondergaan, fluisterde de theaterdirecteur mij in mijn oor. Drie maanden later stond hij alweer op de steiger om lampfilters te vervangen – tegen het uitdrukkelijke advies van de dokter in. De directeur voegde eraan toe dat het Rillander theater het zelf ook niet makkelijk heeft, in een gereformeerde gemeente waar de SGP de grootste is. Als het aan die partij ligt, verdwijnt het theater wegens z’n godslasterende (lees: culturele) activiteiten.

Ook qua publieksaantallen worden we steeds weer verrast. Soms is de zaal ramvol, soms zijn er 35 kaarten voor mijn voorstelling verkocht. Zoals laatst, in Bovenkarspel. Ik heb mijn trots opzij gezet en ben op straat gaan flyeren. Redelijk ongemakkelijk natuurlijk, flyers uitdelen met je eigen hoofd erop, maar alle beetjes helpen.

Of neem het Noord-Brabantse Alphen, waar ik speelde in een buurthuis. Overdag deed het dienst als biljartclub, ’s avonds als theater. Een deel van het dorp was naar mijn voorstelling gekomen. De plaatselijke schilder had voor de voorstelling alvast wat gedronken en riep bij de interactieve gedeeltes steeds de smerigste dingen. Zo vraag ik mijn publiek op een gegeven moment wat het betekent als je een bepaald gezicht trekt. ‘Dat je zit te schijten!’ riep de schilder. Na de voorstelling vertelden de mensen van het theater mij dat ‘de plintenschilder’, zoals hij vanwege zijn geringe lengte genoemd wordt, erom bekend staat in het dorp: drinken en vuiligheid roepen.

In Wormer verwelkomde de eveneens vrijwillige technici ons met de mededeling dat er die dag in het theater ook een condoleance was. Of we snel konden opbouwen. Ik voelde me bezwaard omdat ik na het afscheid van een overledene lollig ging staan doen op het podium. Maar toen ik dat tegen de nabestaanden zei, spraken ze míj troostend toe in plaats van andersom: ‘Zo is het leven. Speel ze plat vanavond.’

Overal waar ik moet spelen, loop ik even buiten rond om de sfeer te proeven. Ik kom in dorpen waar je tussen de huizen door de weilanden inkijkt, in steden die louter bestaan uit nieuwbouw, in theaters die met een hoop liefde worden gerund. Elke plek heeft zijn eigen verhaal. Ik woon mijn hele leven al in Utrecht en zie Nederland nu eens van een andere kant. Daar heb ik dat flyeren wel voor over.