Ik ben op tournee met een theatershow, en moet avond aan avond fit op het podium staan. Ik kan me dus geen blessures veroorloven. Daarom heb ik noodgedwongen besloten mijn carrière als voetballer tijdelijk naast me neer te leggen. De hoop ooit nog gescout te worden voor het Nederlands elftal is daarmee nu echt vervlogen. Die was er nog wel, namelijk. Dat ik dat unieke geval in de wereld zou zijn die op zijn dertigste nog uitverkoren werd. Dat er een man in een lange regenjas langs het trainingsveld zou staan die notities maakte in een schrijfblok. ‘Die Daan, die moeten we hebben,’ zou hij later tegen zijn leidinggevenden zeggen. ‘Als goaltjesdief. Het ziet er niet uit wat-ie doet, maar het is wél bijzonder. We kunnen hem inzetten in de WK-finale, voor het winnende goal tegen Spanje.’

Tot op heden is dit helaas nooit gebeurd. Wel iets dat er een klein beetje op leek. Vroeger, toen ik nog bij de E’tjes voetbalde, stond er steevast een man in een lange regenjas langs het veld. Een scout, dachten wij hoopvol. Tot hij werd opgepakt omdat hij al die tijd niets onder die regenjas aan had. Maar nu ging ik dus stoppen. Ik vond het moeilijk om aan mijn team mede te delen en zag er als een berg tegenop. Vlak voor de wedstrijd pakte ik dan toch mijn moment. ‘Jongens, ik heb besloten mijn dromen na te gaan jagen. Ik ga zingen en dansen in het theater.’ Het bleef even stil. Ik word ter plekke gevild, dacht ik, en uitgemaakt voor van alles en nog wat. Maar het bleef stil. ‘Leuk voor je man’, zei iemand, en behalve wat gekuch en geboer bleef het daar verder bij. Toen riep coach Rubbe ons weer tot de orde van de dag: ‘Oké, maar er moet zo natuurlijk ook gewoon gevoetbald worden!’
Natuurlijk was ik blij dat ze mijn beslissing leken te respecteren. Maar ik was ook beledigd. Hoezo werden ze niet boos? Waarom riep niemand: ’Daan, wat flik je ons nou!? Je kunt ons toch niet zomaar in de steek laten? We hebben je nodig!” In mij als artiest had mijn team al nooit enige interesse gehad, maar in mij als voetballer kennelijk ook niet. Weer een illusie armer.

De eerste helft zat ik piekerend op de bank, met iets wat verdacht veel op een brok in mijn keel leek. Zou ik hier dan echt helemaal niet gemist worden? Kon het niemand iets schelen dat ik uit het team ging? Ik vroeg het aan coach Rubbe, die me op mijn schouder sloeg. ‘Nee man. Jij gaat ons team namelijk niet verlaten, dat weet iedereen allang. Jij komt hier gewoon lekker elke zondag op de bank zitten. Of je nu wel of niet voetbalt, dat maakt voor ons geen verschil. En we komen met z’n allen naar je show kijken, dus verkloot het niet.’

De communicatie van een voetbalteam. Prachtig.