Zo’n prachtige dag, en ik moet gaan
In Zo’n prachtige dag, en ik moet gaan buigen schrijver Koen Caris, acteur Oda Spelbos en regisseur Raygin Fullinck zich over de vraag wat mensen ertoe drijft zich wel, of juist niet, op te offeren voor een goede zaak.
Of het nu 1940 is of 2026: de een stort zich zonder aarzeling in het verzet, terwijl een ander angstig wegkijkt. Een eenentwintigjarig Duits meisje keert de Hitlerjugend de rug toe om zich bij de verzetsgroep die Weiße Rose te voegen, terwijl een veertiger maar geen manier vindt om voor zijn idealen te vechten. En waar de een thuis goede bedoelingen zit te hebben, trekt diens buurman vol burgermoed de vrieskou in om tegen een fascistische politiedienst te protesteren. Waarom wel de een, en niet de ander?
En van de mensen wier leven door onderdrukkende regimes abrupt en vroegtijdig werd afgebroken – waar verdwijnt al dat leven naartoe? Al die ongeleefde jaren, al dat niet beleefd geluk, is dat helemaal verdwenen? Of kunnen we dat op een manier nog laten rondzingen?